Een man in een donkere jas stond bij de deur. Rustig. Professioneel. Hij stelde zich voor als Thomas, een advocaat, en zei dat er iets was wat we moesten weten.
Hij gaf ons een brief.
Het was van een man genaamd Harold Peters.
Jaren eerder was Harold buiten een supermarkt gevallen. Mensen liepen voorbij. Noah niet. Hij hielp hem overeind, wachtte met hem, behandelde hem als een mens—geen probleem.
Harold vergat het nooit.
Hij had geen familie. Geen kinderen. Maar hij had een huis, spaargeld en een leven vol stille dankbaarheid. Hij liet alles aan Noah na.
Niet uit medelijden.
Uit dank.
